0. Praktische informatie voor taalonderzoek Mogelijke problemen in het Nederlands als gevolg van transferHet Hindi-Urdu verschilt in een aantal opzichten van het Nederlands op zodanige wijze dat er problemen kunnen ontstaan op het gebied van fonologie, morfologie en syntaxis. Als u onderstaande problemen constateert bij een jonge leerder van het Nederlands met het Hindi-Urdu als moedertaal, hoeft dat dus niet per se te wijzen op een TOS. FonologieIn het Hindi-Urdu behoren de [w] en [v] tot dezelfde klank (allofonen) en zijn vrijwel nooit betekenis-onderscheidend. In het Nederlands maken deze klanken wel onderscheid in betekenis, denk bijvoorbeeld aan de woorden veer en weer. Het zou kunnen dat kinderen met het Hindi-Urdu als moedertaal moeite hebben met het verschil tussen [w] en [v]. Leerders van het Nederlands hebben vaak moeite met de uitspraak van de /g/, zo ook mensen met Urdu als moedertaal. De klank [x] komt niet voor in het Urdu, maar vaak genoeg in het Nederlands. Het kan zijn dat een kind langer nodig heeft zich deze klank eigen te maken. MorfologieOmdat het Urdu een rijkere morfologie heeft dan het Nederlands, zal het kind waarschijnlijk weinig moeite hebben met de Nederlandse morfologie. Wel kan een kind moeite hebben met het verbuigen van een bijvoeglijk naamwoord bij bepaalde en onbepaalde lidwoorden: “het mooie huis” en “een mooi huis”. Dit verschil bestaat niet in het Urdu. Ook wordt er in het Hindi-Urdu geen onderscheid gemaakt in geslacht bij de persoonlijke voornaamwoorden. Het zou kunnen dat een kind daardoor moeite heeft met het verschil tussen “hij” en “zij”. Wat betreft de werkwoordsmorfologie kunnen kinderen met Hindi-Urdu als T1 moeite hebben met sterke werkwoorden. Deze zijn er veel in het Nederlands en moeten allemaal apart aangeleerd worden. Hiernaast heeft in het Hindi-Urdu een werkwoord altijd een suffix, waardoor kinderen in het Nederlands mogelijkerwijs onterecht een suffix toevoegen aan de ik-vorm van het werkwoord. Als derde zijn er in het Hindi-Urdu verschillende vormen die tijd en/of aspect uitdrukken, welke we in het Nederlands niet hebben. Het zou kunnen dat kinderen daarom moeite hebben met het op de juiste manier uitdrukken van de tijd in werkwoordsvormen. Als laatste is het Hindi-Urdu een ergatieve taal, terwijl het Nederlands een nominatieve taal is. Het zou dus kunnen dat kinderen, als gevolg van transfer naar het Nederlands, werkwoorden vervoegen op basis van het lijdend voorwerp in plaats van het onderwerp. SyntaxisHet Nederlands heeft officieel een SOV-volgorde, maar maakt voornamelijk gebruik van de SVO-volgorde. Alleen als er sprake is van inversie wordt SOV gebruikt. In het Hindi-Urdi wordt er alleen de SOV-volgorde gebruikt. Het zou dus kunnen dat kinderen als gevolg van transfer naar het Nederlands deze volgorde aanhouden, terwijl dit in veel gevallen niet hoort. PragmatiekEr zullen waarschijnlijk geen problemen zijn met de pragmatiek. Mogelijke vragen aan ouders/tolken met betrekking tot specifieke TOS-elementenHelaas is er geen onderzoek gedaan naar taalontwikkelingsstoornissen in het Hindi-Urdu. Hierdoor kunnen er geen uitspraken gedaan worden over specifieke TOS-elementen in deze taal. Waar wel naar gekeken kan worden, is de morfologie van het Hindi-Urdu. Het is bekend dat kinderen met een TOS veel problemen hebben met de morfologie van hun T1 als deze rijk is. Er zou dus aan de ouders gevraagd kunnen worden: - Maakt het kind een duidelijk onderscheid tussen de naamvallen? - Heeft het kind moeite met het al dan niet verbuigen van bijvoeglijke naamwoorden?
- Heeft het kind moeite met de verschillende manieren om aan te geven (bij werkwoorden) of een actie al is afgerond of nog niet, bijvoorbeeld met de suffixen /-ta/, /-te/ of /-ti/.
- Heeft het kind moeite met het aanduiden van tijd/modaliteit? Hiermee bedoelen we bijvoorbeeld of een actie in de verleden tijd heeft plaatsgevonden of in de tegenwoordige tijd plaatsvindt. Vraag hierbij naar het goed of foutief gebruiken van de achtervoegsels /-tha/ en /-hai/ en de hulpwerkwoorden hona en rahna.
1. Algemene informatie over het Urdu
Taalfamilie
Urdu is een van de nationale talen van Pakistan en wordt door meer dan 100 miljoen mensen over de wereld gesproken, als eerste of tweede taal. Naast Pakistan wordt het ook gesproken in onder andere Afghanistan, Bangladesh en India. Het is een Indo-Arische taal en is bijna gelijk aan Hindi (Barz, 1979). Voor het Hindi is een aparte Wiki-pagina gemaakt, deze is hier te vinden. In onderstaande afbeelding is te zien in welke gebieden Urdu gesproken wordt, waarbij donkergroen aangeeft dat het een officiële taal is en lichtgroen dat de taal gesproken wordt in deze gebieden.
Het Hindi en Urdu zijn officieel twee verschillende talen die ontstaan zijn uit het Hindoestaans: het Khari boli dialect. Ze worden echter vaak gezien als twee varianten van één taal. Wanneer er gekeken wordt naar de grammatica en basis vocabulaire van de twee talen, zijn ze bijna gelijk. De vervoegingen van werkwoorden, de achtervoegsels en naamwoorden in het dagelijkse taalgebruik bijvoorbeeld zijn identiek. Er zijn wel verschillen te vinden in het gebruik en de uitspraak van de talen, maar deze zijn minimaal (Barz, 1979). Het grootste verschil tussen de twee talen is op schriftelijk gebied: waar het schrift van Hindi is gebaseerd op Sanskriet, is dat van Urdu gebaseerd op het Arabisch en Perzisch schrift. Wat betreft het literair gebruik liggen de talen daardoor ver uit elkaar (Masica, 1993). Wat betreft het dagelijks taalgebruik echter, zal een spreker van het Urdu alleen een nieuw schrift en wat nieuwe woorden hoeven te leren om standaard Hindi te kunnen lezen, schrijven en spreken en andersom (Barz, 1979).
Bij de opzet van deze Wikisite is er een nadruk gelegd op (de verwerving van) gesproken taal, om bruikbare informatie voor logopedisten, klinisch linguïsten en andere geïnteresseerden weer te geven. Er zal daarom ook vooral op de gesproken aspecten ingegaan worden van het Hindi en Urdu. Omdat de gesproken talen een gelijke grammatica en syntaxis hebben en voor een groot gedeelte een gelijk vocabulaire, zal bij grote delen van deze Wiki gesproken worden over beide talen en worden deze verder benoemd als ‘Hindi-Urdu’. Deze gedeelten zijn dan ook gelijk op de pagina van het Hindi en op die van het Urdu. De algemene informatie, conclusie en aanbevelingen zijn wel voor de talen apart weergegeven.
Dialecten en verschil spreektaal/schrijftaal Van het Urdu zijn verschillende dialecten. Naast het standaard Urdu is er een Dakhani dialect, wat gesproken wordt in het zuiden van India. Het verschil met standaard Urdu is dat er vocabulaire is opgenomen vanuit het Marathi en Telugu, en vanuit het Persisch en Arabisch. Verder is er een Pakistaanse versie van het Urdu, waarin veel invloeden van Pashto, Punjabi en Sindhi, de andere lokaal gesproken talen in Pakistan, terug te vinden zijn (Dialects of Urdu Language, 2011). Daarnaast is er een dialect van het Urdu dat gesproken wordt in de Hyderabad regio van India, dit dialect heeft invloeden van het Arabisch en Turks en is te verstaan voor sprekers van het standaard Urdu, maar lastig om zelf ook te spreken (Hyderabadi Urdu, 2012). Als laatste is er nog een dialect dat bijna los staat van de spreektaal Urdu, dit is het Rekhta. Het Rekhta is een speciaal dialect dat alleen gebruikt wordt in poëzie, ooit vooral toegepast door Brits-Indiase dichters (Dialects of Urdu Language, 2011).
Schriftsysteem
Urdu maakt gebruik van een vorm van het Persisch-Arabische schrift, de Nasta'liq stijl. Dit is een van de hoofd-vormen van het Persisch-Arabische schrift. Het Nasta’lig wordt van rechts naar links geschreven en de klinkers worden aangegeven via tekentjes boven en onderaan de letters. Er zijn in totaal 57 lettters en 15 verschillende tekens om klinkers aan te geven, deze klinker tekens zijn optioneel (Humayoun, 2006). Een voorbeeld van het schrift van Urdu is als volgt:
Hier is het alfabet van het Urdu te vinden in schrift, maar ook verschillende audiobestanden waarop het alfabet uitgesproken wordt.
2. Specifieke informatie over het Urdu
Fonologie
Medeklinkers
In onderstaande tabel zijn de medeklinkers van het Hindi-Urdu weergegeven. De klanken [x, ɣ, q] zijn niet in dit schema opgenomen, maar komen wel voor in sommige variaties van het Urdu.
(Overgenomen uit Ohala, 1999)
Medeklinkers die voorkomen in het Hindi-Urdu, maar niet in het Nederlands zijn: [pʰ, bʱ, t̪ʰ, d̪ʱ, ʈ, ʈʰ, ɖ, ɖʱ, kʰ, ɡʱ, tʃ, dʒ, tʃʰ, dʒʱ, ɾ, ɽʱ].
Medeklinkers die voorkomen in het Nederlands, maar niet in het Hindi-Urdu zijn: [x, v, ʒ, ɣ].
De meeste medeklinkers kunnen hoorbaar langer worden uitgesproken (verdubbeling of geminatie), behalve de medeklinkers: [bʱ, ɽ, ɽʱ, ɦ] (Ohala, 1999).
Waar in het Nederlands de [v] en de [w] verschillende fonemen zijn en daarmee een klank-onderscheidend verschil hebben, is dit niet het geval in het Hindi-Urdu. De [w] en [v] zijn in het Hindi-Urdu allofonen, wat inhoudt dat het twee varianten van eenzelfde klank [ʋ], zijn. Wel is het zo dat er een [w] of [v] gebruikt wordt in een bepaalde context, dus helemaal inwisselbaar zijn deze klanken niet (Pierrehumbert en Nair, 1996). Doordat de klanken niet onderscheidend zijn in de moedertaal Hindi-Urdu, kan het voorkomen dat er in de tweede taal Nederlands deze klanken verkeerd gebruikt worden. Woorden met een [w] zouden uitgesproken kunnen worden met een [v] en andersom.
Klinkers
Het Hindi-Urdu heeft 11 klinkers, deze zijn weergegeven in onderstaande klinkerdriehoek.
(Overgenomen uit Ohala, 1999)
Klinkers die voorkomen in het Hindi-Urdu, maar niet in het Nederlands zijn: [ʊ, æ].
Klinkers die voorkomen in het Nederlands, maar niet in het Hindi-Urdu zijn: [ʏ, a:, y, øː].
Al deze klinkers, behalve [æ], hebben ook een nasale tegenhanger.
Morfologie
Naamwoorden
Zelfstandig naamwoorden
Het zelfstandig naamwoord kent in het Hindi-Urdu twee geslachten, mannelijk en vrouwelijk. Deze worden aangegeven met een ā (voor het mannelijk) en een ī (voor het vrouwelijk) als achtervoegsel bij het nominatief enkelvoud. Verder is er een onderscheid in enkelvoud en meervoud en zijn er drie naamvallen: nominatief (of direct ), oblique en de zelden gebruikte vocatief. De nominatief wordt vooral gebruikt voor het duiden van het onderwerp en soms voor het object, zoals weergegeven in onderstaande voorbeelden:
(1) laRkaa aayaa (de jongen kwam)
´jongen kwam’
(2) ek rupaii do (geef een roepi)
‘een roepi geef’
(Overgenomen uit Hansen, 1980)
De oblique wordt gebruikt voor elk naamwoord dat gevolgd wordt door een achterzetsel. Deze achterzetsels worden hetzelfde toegepast als voorzetsels bij ons, zo geeft het achterzetsel ‘se’ de betekenis ‘van’ aan een woord en ‘par’ betekent ‘op ‘. Een voorbeeld van het achtervoegsel ‘par’ is als volgt:
(3) kitaab mez-par hai (het boek is op de tafel)
‘boek tafel-op is’
(Overgenomen uit Hansen, 1980)
Eventuele problemen bij het leren van het Nederlands als tweede taal:
Het Hindi-Urdu heeft een rijkere morfologie wat betreft naamwoorden dan het Nederlands. Doordat het kind al kennis gemaakt heeft met een ingewikkeldere zelfstandig naamwoord samenstelling, zal het weinig moeite hebben met het eenvoudigere systeem in het Nederlands. Het is waarschijnlijk dat er geen problemen zullen optreden met alleen het enkelvoud – meervoud onderscheid in het Nederlands.
Bijvoeglijke naamwoorden
Bijvoeglijke naamwoorden in het Hindi-Urdu bestaan uit twee groepen: een groep die mee verbuigt met het zelfstandig naamwoord en een groep die niet verbuigbaar is. De verbuigingsgroep past zich aan, aan het zelfstandig naamwoord in geslacht, getal en naamval. Bij mannelijk komt er een lange ‘a’ achter het bijvoeglijk naamwoord in de directe vorm enkelvoud en een lange ‘e’ in de andere gevallen. De vrouwelijke vorm krijgt altijd een ‘i’ als achtervoegsel. De onverbuigbare bijvoeglijk naamwoorden hebben geen verschillende vormen en hebben ook niet allemaal eenzelfde klank of eindklank.
Eventuele problemen bij het leren van het Nederlands als tweede taal:
Bij het leren van Nederlands zouden er problemen kunnen ontstaan met het leren van het onderscheid tussen het onbepaalde (bijvoorbeeld ‘een huis’) en het bepaalde geslacht (bijvoorbeeld ‘het huis’) van het zelfstandig naamwoord. Dit verschil bestaat niet in het Hindi-Urdu, en is daardoor lastig te verwerven. Het wel of niet gebruiken van een uitgang –e bij het Nederlandse bijvoeglijk naamwoord, dat afhankelijk is van de (on)bepaaldheid van het zelfstandig naamwoord, zou daardoor fout toegepast kunnen worden. Een kind zou bijvoorbeeld ‘een mooie meisje’ kunnen zeggen, waar dit eigenlijk ‘een mooi meisje’ zou moeten zijn.
.
Persoonlijk voornaamwoorden
Persoonlijk voornaamwoorden in het Hindi-Urdu kennen geen onderscheid in geslacht. Dit onderscheid wordt gemaakt door de werkwoordsvorm, of aangegeven in de context. Er wordt wel een onderscheid gemaakt op persoon, daar zijn drie vormen van, en is er een onderscheid in enkelvoud en meervoud. Ook zijn er twee naamvallen: nominatief (of direct) en oblique. Daarbij heeft de tweede persoon meervoud, net als in het Nederlands, twee vormen: een vorm voor bekenden en een beleefdheidsvorm. Dit geldt ook voor de derde persoon. Onder het hoofdstuk ‘pragmatiek’ zal hier verder op ingegaan worden. Verder heeft de derde persoon een onderscheid in dichtbij of ver weg. Een overzicht van de verschillende vormen is als volgt:
(Overgenomen uit Shapiro, 1989)
Eventuele problemen bij het leren van het Nederlands als tweede taal:
Omdat ook bij de persoonlijk voornaamwoorden sprake is van een rijke morfologie, zal een kind met Hindi-Urdu als moedertaal geen moeite hebben met een deel van de Nederlandse vervoeging van het persoonlijk voornaamwoord. Een probleem dat wel op kan treden bij het leren van Nederlands als tweede taal, is het onderscheid maken tussen mannelijk en vrouwelijk. Omdat deze vorm niet voorkomt in de moedertaal is deze lastig te verwerven in een tweede taal.
Lidwoorden
Zoals te zien is in de voorbeelden bij het zelfstandig naamwoord hierboven, wordt er in het Hindi-Urdu geen gebruik gemaakt van lidwoorden. De context en het gebruik van nadruk op bepaalde woorden zorgen voor een onderscheid in bepaald of onbepaald (Barz, 1997), die in het Nederlands wordt weergegeven via lidwoorden. Doordat er geen lidwoorden voorkomen in de moedertaal, zou dit tot weglating of foutief gebruik van de lidwoorden in het Nederlands kunnen leiden.
Werkwoorden
Het Hindi-Urdu kent een uitgebreid systeem van werkwoordvervoegingen. In het grootste deel van de gevallen worden de werkwoorden op een regelmatige manier vervoegd. Er zijn weinig onregelmatige werkwoorden en deze uitzonderingen zijn makkelijk te leren (Shapiro, 2003). Werkwoorden worden vervoegd op basis van de grammaticale categorieën: aspect, tijd/ modaliteit en getal/persoon/ geslacht. Aspect en tijd/modaliteit zijn de belangrijkste grammaticale categorieën (Shapiro, 2003).
Aspect
Het grammaticaal aspect kan onder meer het begin, de voortgang, de voltooiing of het resultaat van de handeling aanduiden. In het Hindi-Urdu wordt er een fundamenteel onderscheid gemaakt tussen het imperfectief aspect (een onvoltooide actie) en het perfectief aspect (een voltooide actie) (McGregor, 1977). Het imperfectief aspect wordt verder opgesplitst in het habitueel aspect (een regelmatige of herhalende actie) en het progressief aspect (een actie die gaande is). Het perfectief aspect wordt gevormd door het suffix -ā/-e/-ī (afhankelijk van geslacht en getal, zie betreffende paragraaf) aan de stam van het werkwoord toe te voegen. De stam van het werkwoord is het infinitief minus het suffix -nā. Het habitueel aspect wordt gevormd door het suffix -tā/-te/-tī (afhankelijk van geslacht en getal, zie betreffende paragraaf) aan de stam van het werkwoord toe te voegen (Shapiro, 2003). Het progressief aspect wordt gevormd door een combinatie van het hulpwerkwoord rahnā (blijven) met het hoofdwerkwoord (McGregor, 1977).
Tijd en modaliteit
Werkwoorden met een aanduiding voor aspect hebben vaak ook één van de volgende vier aanduidingen voor tijd/modaliteit: tegenwoordige tijd, verleden tijd, presumptief (drukt waarschijnlijkheid, geloof of intentie uit) en subjunctief (drukt een gewenste of mogelijke stand van zaken uit). De drie aspecten en vier tijden leveren samen 12 aspect-tijd combinaties op. De tijd wordt uitgedrukt met een vorm van het hulpwerkwoord honā (zijn). Het hulpwerkwoord honā volgt op het hoofdwerkwoord (Shapiro, 2003).
Ter verduidelijking volgen hier drie voorbeelden van de 12 mogelijke aspect-tijd combinaties:
calnā = gaan/bewegen
(1) verleden tijd – perfectief:
vah calā thā (hij ging/hij is gegaan)
‘hij + gaan+perfectief suffix + verledentijdsaanduiding’
(2) tegenwoordige tijd – habitueel:
vah caltā hai (hij gaat (altijd))
‘hij + gaan+habitueel suffix + aanduiding voor tegenwoordige tijd’
(3) verleden tijd – progressief:
vah cal rahā thā (Engelse vertaling: he was going)
‘hij + gaan + progressief + verleden tijdsaanduiding’
(Overgenomen uit McGregor, 1977)
In het Hindi-Urdu zijn er ook werkwoordsvormen die geen specificatie voor aspect hebben, maar wel voor tijd. De bekendste vormen zijn: de toekomst, verscheidene vormen van het imperatief (gebiedende wijs) en het infinitief (Shapiro, 2003).
Getal, persoon en geslacht
Finiete werkwoorden zijn congruent met het onderwerp van de zin met betrekking tot: getal, persoon en geslacht. Dit wordt aangegeven door het gebruik van verschillende klinkers aan het eind van het werkwoord: ā (mannelijk enkelvoud), e (mannelijk meervoud), ī (vrouwelijk enkelvoud en meervoud) (Shapiro, 2003) of een andere werkwoordsvorm. Vergelijk onderstaand voorbeeld (4) met bovenstaand voorbeeld (1).
(4) verleden tijd – perfectief:
vah calī thī (zij ging/zij is gegaan)
‘zij + gaan+perfectief suffix + verledentijdsaanduiding’
(Overgenomen uit McGregor, 1977)
Een transitief finiet werkwoord (werkwoord dat een lijdend voorwerp bij zich kan hebben) met een perfectief aspect congrueert met het lijdend voorwerp van de zin en niet met het onderwerp. Het Hindi-Urdu is namelijk een ergatieve taal: een taal waarin het onderwerp van een intransitieve zin geheel hetzelfde behandeld wordt als het lijdend voorwerp van een transitieve zin. Als het werkwoord met het lijdend voorwerp congrueert, krijgt het onderwerp de ergatief markering –ne (McGregor, 1977).
Hindi-Urdu wordt verder gekenmerkt door het veelvuldig gebruik van samengestelde werkwoorden. De twee werkwoorden gedragen zich als één en het ondersteunende (hulp)werkwoord verliest zijn eigen betekenis. Een paar voorbeelden van deze hulpwerkwoorden zijn: jānā(gaan), lenā (nemen) en denā (geven) (McGregor, 2003).
Eventuele problemen bij het leren van het Nederlands als tweede taal:
Het Nederlands heeft veel onregelmatige werkwoorden en dit zal voor sprekers van het Hindi-Urdu (net als voor veel anderstaligen) moeilijk zijn, omdat ze allemaal apart aangeleerd moeten woorden. In de eigen taal komen deze ook bijna niet voor. In Hindi-Urdu heeft het werkwoord altijd een suffix en wordt de stam van het werkwoord op zichzelf niet gebruikt. Kinderen zouden dan ook onterecht een suffix kunnen toevoegen aan de ik-vorm van het werkwoord in het Nederlands. De tijdsaanduiding wordt in het Hindi-Urdu weergegeven met een vorm van het werkwoord honā (zijn) en niet met een suffix zoals in het Nederlands (-de(n) of -te(n)). Het kan kinderen ook meer moeite kosten om dit onder de knie te krijgen. Daarnaast zijn er in Hindi-Urdu meerdere vormen van tijd en aspect die een grote rol spelen in het werkwoordsysteem, die in het Nederlands niet of weinig uitgedrukt worden. Dit kan ook problemen opleveren. Omdat Hindi-Urdu een ergatieve taal is, kan transfer naar het Nederlands ervoor zorgen dat kinderen transitieve werkwoorden vervoegen op basis van het lijdend voorwerp en niet het onderwerp.
Syntaxis
Hindi-Urdu hebben in principe een Subject-Object-Verb volgorde (onderwerp-lijdend voorwerp-werkwoord), waar wij in het Nederlands “Ik pak een boek” zeggen, zou dit in Hindi-Urdu “ik boek pak” zijn. Deze volgorde hoeft echter niet strikt toegepast te worden, een woord waar men de nadruk op wil leggen kan op een andere plaats in de zin gezet worden (Hansen, 1980). Verder worden bijvoeglijk naamwoorden voor het zelfstandig naamwoord geplaatst en bijwoorden voor het werkwoord. Vraagzinnen worden op verschillende manieren gevormd. Bij gesloten vraagzinnen wordt het vraagwoord “kya” aan het begin van de zin geplaatst, waarbij de rest van de zin in de basisvolgorde staat. Bij een open vraag wordt het vraagwoord niet aan het begin van de zin geplaatst, maar voor het werkwoord in de zin (Shapiro, 1989).
Eventuele problemen bij het leren van het Nederlands als tweede taal:
Ondanks dat Nederlands officieel een SOV volgorde heeft net als bij Hindi-Urdu, zijn veel zinnen in het Nederlands van het patroon SVO. Alleen wanneer er sprake is van inversie wordt er in het Nederlands gebruik gemaakt van de SOV volgorde, in de andere gevallen is SVO de enige optie. Dit zou dan ook lastig kunnen zijn voor kinderen met Hindi-Urdu als moedertaal, een SOV zinspatroon zou ook in het Nederlands toegepast kunnen worden in gevallen waar dit niet hoort.
Daarbij aansluitend zou het kunnen dat deze kinderen de vrije woordvolgorde van het Hindi -Urdu toepassen in het Nederlands. Waar in het Nederlands een afwijkend zinspatroon afgekeurd wordt, en daardoor eventueel gekoppeld aan een mogelijk taalprobleem, is dit in het Hindi-Urdu niet het geval. Bij een kind dat Hindi-Urdu als moedertaal heeft zou een variërende woordvolgorde een aspect van de meertaligheid kunnen zijn.
Pragmatiek
In het Hindi-Urdu kunnen er verschillende niveaus van beleefdheid worden uitgedrukt met het persoonlijk voornaamwoord. Er zijn drie varianten van het persoonlijk voornaamwoord (tweede persoon): āp, tum en tū. De vorm āp wordt gebruikt in formele situaties en om respect te tonen. Het wordt gebruikt om mensen aan te spreken die ouder zijn, meer gezag hebben of op gelijke voet staan (zoals collega’s). Het is vergelijkbaar met de Nederlandse vorm u. De vorm tum wordt gebruikt voor het aanspreken van familieleden, goede vrienden en personen met een lagere sociale status (zoals een bediende). De vorm tū wordt in twee zeer verschillende situaties gebruikt. Het kan gevoelens uitdrukken van grote vertrouwelijkheid of informaliteit, bijvoorbeeld wanneer er met kleine kinderen wordt gepraat. Het kan ook gevoelens uitdrukken van boosheid en afkeer. De vorm tū wordt met de enkelvoudige vorm van het werkwoord gebruikt en de vormen tum en āp met de meervoudsvorm van het werkwoord, onafhankelijk of er één of meerdere mensen worden aangesproken (Shapiro, 2003).
Het grammaticaal partikel jī wordt gebruikt in combinatie met een eigennaam om respect aan te duiden. Het wordt tevens toegevoegd aan de woorden hām (ja) en nahīm (nee) in een context waarin āp wordt gebruikt (McGregor, 1977).
Eventuele problemen bij het leren van het Nederlands als tweede taal: De beleefdheidsvorm in het Nederlands is minder uitgebreid dan in de moedertaal en zal daardoor waarschijnlijk geen problemen opleveren. De kans is wel aanwezig dat een kind bij gebruik van het persoonlijk voornaamwoord jij/u kiest voor de meervoudsvorm van het bijbehorende werkwoord, omdat dit bij twee van de drie vormen in Hindi-Urdu gebruikelijk is.
3. Verwervingsfases in bovenstaande domeinen in het Urdu
Er zijn onderzoeken gevonden naar de verwerving van Hindi-Urdu bij kinderen. Deze waren echter specifiek gericht op bepaalde morfologische verschijnselen in de taal en gaven helaas geen overzicht van de verwervingsvolgorde in het Hindi-Urdu. Een voorbeeld hiervan is het onderzoek van Budwig, Narasimhan en Srivastava (2006), dat in gaat op het gebruik van (in)transitionele werkwoorden bij kinderen tussen ongeveer drie en vier jaar. Hierin wordt geconcludeerd dat kinderen in deze leeftijdsfase gebruik maken van generalisaties en nog niet volledig op een volwassenen niveau van gebruik zitten. Helaas kan hier verder geen overzicht gegeven worden van de verdere verwervingsvolgorde of een vergelijking gemaakt worden met de verwervingsvolgorde in het Nederlands.
4. Onderzoek naar taalstoornissen in het Urdu
Helaas zijn er geen onderzoeken gevonden die ingaan op taalstoornissen in het Urdu.
5. Slotopmerkingen en literatuurverwijzingen
Van het Urdu is helaas weinig bekend op het gebied van taalstoornissen. Bij kinderen met Urdu als moedertaal en Nederlands als tweede taal zijn er echter wel problemen te voorspellen die veroorzaakt kunnen worden door deze tweetaligheid. Door deze kenmerken in gedachten te houden bij eventueel onderzoek bij deze kinderen, kan er een betere scheiding gemaakt worden tussen problemen veroorzaakt door meertaligheid en problemen die te wijten zijn aan een taalstoornis. Om een duidelijk beeld te schetsen worden hieronder nogmaals kort de grootste probleemgebieden van de meertaligheid genoemd. Verder zijn de gebruikte referenties van dit stuk gegeven, mocht u dieper in willen gaan op bepaalde taal-structuren of elementen die hierboven zijn genoemd dan kunt u deze artikelen of boeken raadplegen. Verder is er een overzicht gegeven van eventueel handige sites over het Urdu.
Overzicht van de belangrijkste probleemgebieden bij het leren van het Nederlands
- Het wel of niet gebruiken van het achtervoegsel -e bij bijvoeglijke naamwoorden, door het voor het Urdu onbekende bepaalde of onbepaalde karakter van het zelfstandig naamwoord in het Nederlands.
- De onderscheiding van mannelijk of vrouwelijk bij persoonlijk voornaamwoorden, deze onderscheiding wordt niet gemaakt in Urdu.
- Lidwoorden, het Urdu kent geen lidwoorden waardoor het gebruik in het Nederlands lastig kan zijn.
- De vele onregelmatige werkwoorden in het Nederlands kunnen lastig zijn omdat deze weinig voorkomen in het Urdu.
- Het gebruik van enkel een stam bij werkwoorden, in Urdu worden er altijd suffixen toegevoegd aan de stam.
- Tijdsaanduiding in werkwoorden via suffixen, in Urdu gaat dit via een hulpwerkwoord.
- Transitieve werkwoorden vervoegen naar het onderwerp, in het Urdu gaat dit naar het lijdend voorwerp. - De woordvolgorde in Urdu is vrijer dan in het Nederlands en de woordvolgorde is deels anders (SOV is niet in alle gevallen toegestaan in het Nederlands). Hierdoor kunnen woorden in een, voor het Nederlands, niet toegestane volgorde gezet worden.
Referenties
Barz, R.K. (1977) An Introduction to Hindi and Urdu. Canberra: Faculty of Asian Studies, Australian National University.
Budwig, N., Narasimhan, B., and Srivastava, S. “Interim solutions: The acquisition of early constructions in Hindi," InE.Clark and B.Kelly (Eds.) Constructions in acquisition, Stanford, CA: CSLI Publications, 2006.
Hansen, L. (1980) Learning and Forgetting a Second Language: The Acquisiton, Loss and Re-acquisition of Hindi-Urdu Negative Structures by English-Speaking Children. Berkeley: University of California.
Humayoun, M. (2006). Urdu morphology, orthography and lexicon extraction. PhD Thesis, Department of Computer Scrience and Engineering, Chalmers University of Technology and Göteborg University, Göteborg.
Masica, C.P. (1993) The Indo-Aryan Languages. Cambridge: Cambridge University Press.
McGregor, R. S. (1977), Outline of Hindi Grammar, 2nd Ed., Oxford University Press, Oxford-Delhi.
Ohala, Manjari (1999), "Hindi", in International Phonetic Association, Handbook of the International Phonetic Association: a Guide to the Use of the International Phonetic Alphabet, Cambridge University Press, pp. 100–103.
Pierrehumbert, J. en Nair R. (1996), Implications of Hindi Prosodic Structure (Current Trends in Phonology: Models and Methods), European Studies Research Institute: University of Salford Press.
Shapiro, M.C. (1989) A primer of Modern Standard Hindi. Delhi: Motilal Banarsidass.
Deze site geeft een overzicht van het schrift, heeft audiobestanden van het alfabet en spraak en heeft een lijst met links naar handige websites: http://www.omniglot.com/writing/urdu.htm
Op de volgende site staan eenvoudige Urdu lessen en is een woordenboek Engels-Urdu beschikbaar: http://www.urduword.com/
toc
1. Algemene informatie over het Urdu
Taalfamilie
Het verschil tussen Hindi en Urdu
Schriftsysteem
2. Specifieke informatie over het Urdu
Fonologie
Morfologie
Syntaxis
Pragmatiek
3. Verwervingsfases in bovenstaande domeinen in het Urdu
4. Onderzoek naar taalstoornissen in het Urdu
5. Slotopmerkingen en literatuurverwijzingen
Overzicht van de belangrijkste probleemgebieden bij het leren van het Nederlands
Referenties
0. Praktische informatie voor taalonderzoekTable of Contents
Mogelijke problemen in het Nederlands als gevolg van transferHet Hindi-Urdu verschilt in een aantal opzichten van het Nederlands op zodanige wijze dat er problemen kunnen ontstaan op het gebied van fonologie, morfologie en syntaxis. Als u onderstaande problemen constateert bij een jonge leerder van het Nederlands met het Hindi-Urdu als moedertaal, hoeft dat dus niet per se te wijzen op een TOS.
FonologieIn het Hindi-Urdu behoren de [w] en [v] tot dezelfde klank (allofonen) en zijn vrijwel nooit betekenis-onderscheidend. In het Nederlands maken deze klanken wel onderscheid in betekenis, denk bijvoorbeeld aan de woorden veer en weer. Het zou kunnen dat kinderen met het Hindi-Urdu als moedertaal moeite hebben met het verschil tussen [w] en [v]. Leerders van het Nederlands hebben vaak moeite met de uitspraak van de /g/, zo ook mensen met Urdu als moedertaal. De klank [x] komt niet voor in het Urdu, maar vaak genoeg in het Nederlands. Het kan zijn dat een kind langer nodig heeft zich deze klank eigen te maken.
MorfologieOmdat het Urdu een rijkere morfologie heeft dan het Nederlands, zal het kind waarschijnlijk weinig moeite hebben met de Nederlandse morfologie. Wel kan een kind moeite hebben met het verbuigen van een bijvoeglijk naamwoord bij bepaalde en onbepaalde lidwoorden: “het mooie huis” en “een mooi huis”. Dit verschil bestaat niet in het Urdu. Ook wordt er in het Hindi-Urdu geen onderscheid gemaakt in geslacht bij de persoonlijke voornaamwoorden. Het zou kunnen dat een kind daardoor moeite heeft met het verschil tussen “hij” en “zij”.
Wat betreft de werkwoordsmorfologie kunnen kinderen met Hindi-Urdu als T1 moeite hebben met sterke werkwoorden. Deze zijn er veel in het Nederlands en moeten allemaal apart aangeleerd worden. Hiernaast heeft in het Hindi-Urdu een werkwoord altijd een suffix, waardoor kinderen in het Nederlands mogelijkerwijs onterecht een suffix toevoegen aan de ik-vorm van het werkwoord. Als derde zijn er in het Hindi-Urdu verschillende vormen die tijd en/of aspect uitdrukken, welke we in het Nederlands niet hebben. Het zou kunnen dat kinderen daarom moeite hebben met het op de juiste manier uitdrukken van de tijd in werkwoordsvormen. Als laatste is het Hindi-Urdu een ergatieve taal, terwijl het Nederlands een nominatieve taal is. Het zou dus kunnen dat kinderen, als gevolg van transfer naar het Nederlands, werkwoorden vervoegen op basis van het lijdend voorwerp in plaats van het onderwerp.
SyntaxisHet Nederlands heeft officieel een SOV-volgorde, maar maakt voornamelijk gebruik van de SVO-volgorde. Alleen als er sprake is van inversie wordt SOV gebruikt. In het Hindi-Urdi wordt er alleen de SOV-volgorde gebruikt. Het zou dus kunnen dat kinderen als gevolg van transfer naar het Nederlands deze volgorde aanhouden, terwijl dit in veel gevallen niet hoort.
PragmatiekEr zullen waarschijnlijk geen problemen zijn met de pragmatiek.
Mogelijke vragen aan ouders/tolken met betrekking tot specifieke TOS-elementenHelaas is er geen onderzoek gedaan naar taalontwikkelingsstoornissen in het Hindi-Urdu. Hierdoor kunnen er geen uitspraken gedaan worden over specifieke TOS-elementen in deze taal. Waar wel naar gekeken kan worden, is de morfologie van het Hindi-Urdu. Het is bekend dat kinderen met een TOS veel problemen hebben met de morfologie van hun T1 als deze rijk is. Er zou dus aan de ouders gevraagd kunnen worden:
- Maakt het kind een duidelijk onderscheid tussen de naamvallen?
- Heeft het kind moeite met het al dan niet verbuigen van bijvoeglijke naamwoorden?
- Heeft het kind moeite met de verschillende manieren om aan te geven (bij werkwoorden) of een actie al is afgerond of nog niet, bijvoorbeeld met de suffixen /-ta/, /-te/ of /-ti/.
- Heeft het kind moeite met het aanduiden van tijd/modaliteit? Hiermee bedoelen we bijvoorbeeld of een actie in de verleden tijd heeft plaatsgevonden of in de tegenwoordige tijd plaatsvindt. Vraag hierbij naar het goed of foutief gebruiken van de achtervoegsels /-tha/ en /-hai/ en de hulpwerkwoorden hona en rahna.
1. Algemene informatie over het Urdu
Taalfamilie
Urdu is een van de nationale talen van Pakistan en wordt door meer dan 100 miljoen mensen over de wereld gesproken, als eerste of tweede taal. Naast Pakistan wordt het ook gesproken in onder andere Afghanistan, Bangladesh en India. Het is een Indo-Arische taal en is bijna gelijk aan Hindi (Barz, 1979). Voor het Hindi is een aparte Wiki-pagina gemaakt, deze is hier te vinden. In onderstaande afbeelding is te zien in welke gebieden Urdu gesproken wordt, waarbij donkergroen aangeeft dat het een officiële taal is en lichtgroen dat de taal gesproken wordt in deze gebieden.(Van: http://www.languagelearningfun.com/Urdu.htm)
Het verschil tussen Hindi en Urdu
Het Hindi en Urdu zijn officieel twee verschillende talen die ontstaan zijn uit het Hindoestaans: het Khari boli dialect. Ze worden echter vaak gezien als twee varianten van één taal. Wanneer er gekeken wordt naar de grammatica en basis vocabulaire van de twee talen, zijn ze bijna gelijk. De vervoegingen van werkwoorden, de achtervoegsels en naamwoorden in het dagelijkse taalgebruik bijvoorbeeld zijn identiek. Er zijn wel verschillen te vinden in het gebruik en de uitspraak van de talen, maar deze zijn minimaal (Barz, 1979). Het grootste verschil tussen de twee talen is op schriftelijk gebied: waar het schrift van Hindi is gebaseerd op Sanskriet, is dat van Urdu gebaseerd op het Arabisch en Perzisch schrift. Wat betreft het literair gebruik liggen de talen daardoor ver uit elkaar (Masica, 1993). Wat betreft het dagelijks taalgebruik echter, zal een spreker van het Urdu alleen een nieuw schrift en wat nieuwe woorden hoeven te leren om standaard Hindi te kunnen lezen, schrijven en spreken en andersom (Barz, 1979).Bij de opzet van deze Wikisite is er een nadruk gelegd op (de verwerving van) gesproken taal, om bruikbare informatie voor logopedisten, klinisch linguïsten en andere geïnteresseerden weer te geven. Er zal daarom ook vooral op de gesproken aspecten ingegaan worden van het Hindi en Urdu. Omdat de gesproken talen een gelijke grammatica en syntaxis hebben en voor een groot gedeelte een gelijk vocabulaire, zal bij grote delen van deze Wiki gesproken worden over beide talen en worden deze verder benoemd als ‘Hindi-Urdu’. Deze gedeelten zijn dan ook gelijk op de pagina van het Hindi en op die van het Urdu. De algemene informatie, conclusie en aanbevelingen zijn wel voor de talen apart weergegeven.
Dialecten en verschil spreektaal/schrijftaal
Van het Urdu zijn verschillende dialecten. Naast het standaard Urdu is er een Dakhani dialect, wat gesproken wordt in het zuiden van India. Het verschil met standaard Urdu is dat er vocabulaire is opgenomen vanuit het Marathi en Telugu, en vanuit het Persisch en Arabisch. Verder is er een Pakistaanse versie van het Urdu, waarin veel invloeden van Pashto, Punjabi en Sindhi, de andere lokaal gesproken talen in Pakistan, terug te vinden zijn (Dialects of Urdu Language, 2011). Daarnaast is er een dialect van het Urdu dat gesproken wordt in de Hyderabad regio van India, dit dialect heeft invloeden van het Arabisch en Turks en is te verstaan voor sprekers van het standaard Urdu, maar lastig om zelf ook te spreken (Hyderabadi Urdu, 2012). Als laatste is er nog een dialect dat bijna los staat van de spreektaal Urdu, dit is het Rekhta. Het Rekhta is een speciaal dialect dat alleen gebruikt wordt in poëzie, ooit vooral toegepast door Brits-Indiase dichters (Dialects of Urdu Language, 2011).
Schriftsysteem
Urdu maakt gebruik van een vorm van het Persisch-Arabische schrift, de Nasta'liq stijl. Dit is een van de hoofd-vormen van het Persisch-Arabische schrift. Het Nasta’lig wordt van rechts naar links geschreven en de klinkers worden aangegeven via tekentjes boven en onderaan de letters. Er zijn in totaal 57 lettters en 15 verschillende tekens om klinkers aan te geven, deze klinker tekens zijn optioneel (Humayoun, 2006).Een voorbeeld van het schrift van Urdu is als volgt:
(Van: Urdu Numerals, http://www.omniglot.com/writing/urdu.htm, 13-01-2012)
Hier is het alfabet van het Urdu te vinden in schrift, maar ook verschillende audiobestanden waarop het alfabet uitgesproken wordt.
2. Specifieke informatie over het Urdu
Fonologie
Medeklinkers
In onderstaande tabel zijn de medeklinkers van het Hindi-Urdu weergegeven. De klanken [x, ɣ, q] zijn niet in dit schema opgenomen, maar komen wel voor in sommige variaties van het Urdu.
(Overgenomen uit Ohala, 1999)
Medeklinkers die voorkomen in het Hindi-Urdu, maar niet in het Nederlands zijn: [pʰ, bʱ, t̪ʰ, d̪ʱ, ʈ, ʈʰ, ɖ, ɖʱ, kʰ, ɡʱ, tʃ, dʒ, tʃʰ, dʒʱ, ɾ, ɽʱ].
Medeklinkers die voorkomen in het Nederlands, maar niet in het Hindi-Urdu zijn: [x, v, ʒ, ɣ].
De meeste medeklinkers kunnen hoorbaar langer worden uitgesproken (verdubbeling of geminatie), behalve de medeklinkers: [bʱ, ɽ, ɽʱ, ɦ] (Ohala, 1999).
Waar in het Nederlands de [v] en de [w] verschillende fonemen zijn en daarmee een klank-onderscheidend verschil hebben, is dit niet het geval in het Hindi-Urdu. De [w] en [v] zijn in het Hindi-Urdu allofonen, wat inhoudt dat het twee varianten van eenzelfde klank [ʋ], zijn. Wel is het zo dat er een [w] of [v] gebruikt wordt in een bepaalde context, dus helemaal inwisselbaar zijn deze klanken niet (Pierrehumbert en Nair, 1996). Doordat de klanken niet onderscheidend zijn in de moedertaal Hindi-Urdu, kan het voorkomen dat er in de tweede taal Nederlands deze klanken verkeerd gebruikt worden. Woorden met een [w] zouden uitgesproken kunnen worden met een [v] en andersom.
Klinkers
Het Hindi-Urdu heeft 11 klinkers, deze zijn weergegeven in onderstaande klinkerdriehoek.
(Overgenomen uit Ohala, 1999)
Klinkers die voorkomen in het Hindi-Urdu, maar niet in het Nederlands zijn: [ʊ, æ].
Klinkers die voorkomen in het Nederlands, maar niet in het Hindi-Urdu zijn: [ʏ, a:, y, øː].
Al deze klinkers, behalve [æ], hebben ook een nasale tegenhanger.
Morfologie
Naamwoorden
- Zelfstandig naamwoorden
Het zelfstandig naamwoord kent in het Hindi-Urdu twee geslachten, mannelijk en vrouwelijk. Deze worden aangegeven met een ā (voor het mannelijk) en een ī (voor het vrouwelijk) als achtervoegsel bij het nominatief enkelvoud. Verder is er een onderscheid in enkelvoud en meervoud en zijn er drie naamvallen: nominatief (of direct ), oblique en de zelden gebruikte vocatief. De nominatief wordt vooral gebruikt voor het duiden van het onderwerp en soms voor het object, zoals weergegeven in onderstaande voorbeelden:(1) laRkaa aayaa (de jongen kwam)
´jongen kwam’
(2) ek rupaii do (geef een roepi)
‘een roepi geef’
(Overgenomen uit Hansen, 1980)
De oblique wordt gebruikt voor elk naamwoord dat gevolgd wordt door een achterzetsel. Deze achterzetsels worden hetzelfde toegepast als voorzetsels bij ons, zo geeft het achterzetsel ‘se’ de betekenis ‘van’ aan een woord en ‘par’ betekent ‘op ‘. Een voorbeeld van het achtervoegsel ‘par’ is als volgt:
(3) kitaab mez-par hai (het boek is op de tafel)
‘boek tafel-op is’
(Overgenomen uit Hansen, 1980)
Eventuele problemen bij het leren van het Nederlands als tweede taal:
Het Hindi-Urdu heeft een rijkere morfologie wat betreft naamwoorden dan het Nederlands. Doordat het kind al kennis gemaakt heeft met een ingewikkeldere zelfstandig naamwoord samenstelling, zal het weinig moeite hebben met het eenvoudigere systeem in het Nederlands. Het is waarschijnlijk dat er geen problemen zullen optreden met alleen het enkelvoud – meervoud onderscheid in het Nederlands.
- Bijvoeglijke naamwoorden
Bijvoeglijke naamwoorden in het Hindi-Urdu bestaan uit twee groepen: een groep die mee verbuigt met het zelfstandig naamwoord en een groep die niet verbuigbaar is. De verbuigingsgroep past zich aan, aan het zelfstandig naamwoord in geslacht, getal en naamval. Bij mannelijk komt er een lange ‘a’ achter het bijvoeglijk naamwoord in de directe vorm enkelvoud en een lange ‘e’ in de andere gevallen. De vrouwelijke vorm krijgt altijd een ‘i’ als achtervoegsel. De onverbuigbare bijvoeglijk naamwoorden hebben geen verschillende vormen en hebben ook niet allemaal eenzelfde klank of eindklank.Eventuele problemen bij het leren van het Nederlands als tweede taal:
Bij het leren van Nederlands zouden er problemen kunnen ontstaan met het leren van het onderscheid tussen het onbepaalde (bijvoorbeeld ‘een huis’) en het bepaalde geslacht (bijvoorbeeld ‘het huis’) van het zelfstandig naamwoord. Dit verschil bestaat niet in het Hindi-Urdu, en is daardoor lastig te verwerven. Het wel of niet gebruiken van een uitgang –e bij het Nederlandse bijvoeglijk naamwoord, dat afhankelijk is van de (on)bepaaldheid van het zelfstandig naamwoord, zou daardoor fout toegepast kunnen worden. Een kind zou bijvoorbeeld ‘een mooie meisje’ kunnen zeggen, waar dit eigenlijk ‘een mooi meisje’ zou moeten zijn.
.
- Persoonlijk voornaamwoorden
Persoonlijk voornaamwoorden in het Hindi-Urdu kennen geen onderscheid in geslacht. Dit onderscheid wordt gemaakt door de werkwoordsvorm, of aangegeven in de context. Er wordt wel een onderscheid gemaakt op persoon, daar zijn drie vormen van, en is er een onderscheid in enkelvoud en meervoud. Ook zijn er twee naamvallen: nominatief (of direct) en oblique. Daarbij heeft de tweede persoon meervoud, net als in het Nederlands, twee vormen: een vorm voor bekenden en een beleefdheidsvorm. Dit geldt ook voor de derde persoon. Onder het hoofdstuk ‘pragmatiek’ zal hier verder op ingegaan worden. Verder heeft de derde persoon een onderscheid in dichtbij of ver weg. Een overzicht van de verschillende vormen is als volgt:(Overgenomen uit Shapiro, 1989)
Eventuele problemen bij het leren van het Nederlands als tweede taal:
Omdat ook bij de persoonlijk voornaamwoorden sprake is van een rijke morfologie, zal een kind met Hindi-Urdu als moedertaal geen moeite hebben met een deel van de Nederlandse vervoeging van het persoonlijk voornaamwoord. Een probleem dat wel op kan treden bij het leren van Nederlands als tweede taal, is het onderscheid maken tussen mannelijk en vrouwelijk. Omdat deze vorm niet voorkomt in de moedertaal is deze lastig te verwerven in een tweede taal.
- Lidwoorden
Zoals te zien is in de voorbeelden bij het zelfstandig naamwoord hierboven, wordt er in het Hindi-Urdu geen gebruik gemaakt van lidwoorden. De context en het gebruik van nadruk op bepaalde woorden zorgen voor een onderscheid in bepaald of onbepaald (Barz, 1997), die in het Nederlands wordt weergegeven via lidwoorden. Doordat er geen lidwoorden voorkomen in de moedertaal, zou dit tot weglating of foutief gebruik van de lidwoorden in het Nederlands kunnen leiden.Werkwoorden
Het Hindi-Urdu kent een uitgebreid systeem van werkwoordvervoegingen. In het grootste deel van de gevallen worden de werkwoorden op een regelmatige manier vervoegd. Er zijn weinig onregelmatige werkwoorden en deze uitzonderingen zijn makkelijk te leren (Shapiro, 2003). Werkwoorden worden vervoegd op basis van de grammaticale categorieën: aspect, tijd/ modaliteit en getal/persoon/ geslacht. Aspect en tijd/modaliteit zijn de belangrijkste grammaticale categorieën (Shapiro, 2003).
- Aspect
Het grammaticaal aspect kan onder meer het begin, de voortgang, de voltooiing of het resultaat van de handeling aanduiden. In het Hindi-Urdu wordt er een fundamenteel onderscheid gemaakt tussen het imperfectief aspect (een onvoltooide actie) en het perfectief aspect (een voltooide actie) (McGregor, 1977). Het imperfectief aspect wordt verder opgesplitst in het habitueel aspect (een regelmatige of herhalende actie) en het progressief aspect (een actie die gaande is). Het perfectief aspect wordt gevormd door het suffix -ā/-e/-ī (afhankelijk van geslacht en getal, zie betreffende paragraaf) aan de stam van het werkwoord toe te voegen. De stam van het werkwoord is het infinitief minus het suffix -nā. Het habitueel aspect wordt gevormd door het suffix -tā/-te/-tī (afhankelijk van geslacht en getal, zie betreffende paragraaf) aan de stam van het werkwoord toe te voegen (Shapiro, 2003). Het progressief aspect wordt gevormd door een combinatie van het hulpwerkwoord rahnā (blijven) met het hoofdwerkwoord (McGregor, 1977).- Tijd en modaliteit
Werkwoorden met een aanduiding voor aspect hebben vaak ook één van de volgende vier aanduidingen voor tijd/modaliteit: tegenwoordige tijd, verleden tijd, presumptief (drukt waarschijnlijkheid, geloof of intentie uit) en subjunctief (drukt een gewenste of mogelijke stand van zaken uit). De drie aspecten en vier tijden leveren samen 12 aspect-tijd combinaties op. De tijd wordt uitgedrukt met een vorm van het hulpwerkwoord honā (zijn). Het hulpwerkwoord honā volgt op het hoofdwerkwoord (Shapiro, 2003).Ter verduidelijking volgen hier drie voorbeelden van de 12 mogelijke aspect-tijd combinaties:
calnā = gaan/bewegen
(1) verleden tijd – perfectief:
vah calā thā (hij ging/hij is gegaan)
‘hij + gaan+perfectief suffix + verledentijdsaanduiding’
(2) tegenwoordige tijd – habitueel:
vah caltā hai (hij gaat (altijd))
‘hij + gaan+habitueel suffix + aanduiding voor tegenwoordige tijd’
(3) verleden tijd – progressief:
vah cal rahā thā (Engelse vertaling: he was going)
‘hij + gaan + progressief + verleden tijdsaanduiding’
(Overgenomen uit McGregor, 1977)
In het Hindi-Urdu zijn er ook werkwoordsvormen die geen specificatie voor aspect hebben, maar wel voor tijd. De bekendste vormen zijn: de toekomst, verscheidene vormen van het imperatief (gebiedende wijs) en het infinitief (Shapiro, 2003).
- Getal, persoon en geslacht
Finiete werkwoorden zijn congruent met het onderwerp van de zin met betrekking tot: getal, persoon en geslacht. Dit wordt aangegeven door het gebruik van verschillende klinkers aan het eind van het werkwoord: ā (mannelijk enkelvoud), e (mannelijk meervoud), ī (vrouwelijk enkelvoud en meervoud) (Shapiro, 2003) of een andere werkwoordsvorm. Vergelijk onderstaand voorbeeld (4) met bovenstaand voorbeeld (1).(4) verleden tijd – perfectief:
vah calī thī (zij ging/zij is gegaan)
‘zij + gaan+perfectief suffix + verledentijdsaanduiding’
(Overgenomen uit McGregor, 1977)
Een transitief finiet werkwoord (werkwoord dat een lijdend voorwerp bij zich kan hebben) met een perfectief aspect congrueert met het lijdend voorwerp van de zin en niet met het onderwerp. Het Hindi-Urdu is namelijk een ergatieve taal: een taal waarin het onderwerp van een intransitieve zin geheel hetzelfde behandeld wordt als het lijdend voorwerp van een transitieve zin. Als het werkwoord met het lijdend voorwerp congrueert, krijgt het onderwerp de ergatief markering –ne (McGregor, 1977).
Hindi-Urdu wordt verder gekenmerkt door het veelvuldig gebruik van samengestelde werkwoorden. De twee werkwoorden gedragen zich als één en het ondersteunende (hulp)werkwoord verliest zijn eigen betekenis. Een paar voorbeelden van deze hulpwerkwoorden zijn: jānā (gaan), lenā (nemen) en denā (geven) (McGregor, 2003).
Eventuele problemen bij het leren van het Nederlands als tweede taal:
Het Nederlands heeft veel onregelmatige werkwoorden en dit zal voor sprekers van het Hindi-Urdu (net als voor veel anderstaligen) moeilijk zijn, omdat ze allemaal apart aangeleerd moeten woorden. In de eigen taal komen deze ook bijna niet voor. In Hindi-Urdu heeft het werkwoord altijd een suffix en wordt de stam van het werkwoord op zichzelf niet gebruikt. Kinderen zouden dan ook onterecht een suffix kunnen toevoegen aan de ik-vorm van het werkwoord in het Nederlands. De tijdsaanduiding wordt in het Hindi-Urdu weergegeven met een vorm van het werkwoord honā (zijn) en niet met een suffix zoals in het Nederlands (-de(n) of -te(n)). Het kan kinderen ook meer moeite kosten om dit onder de knie te krijgen. Daarnaast zijn er in Hindi-Urdu meerdere vormen van tijd en aspect die een grote rol spelen in het werkwoordsysteem, die in het Nederlands niet of weinig uitgedrukt worden. Dit kan ook problemen opleveren. Omdat Hindi-Urdu een ergatieve taal is, kan transfer naar het Nederlands ervoor zorgen dat kinderen transitieve werkwoorden vervoegen op basis van het lijdend voorwerp en niet het onderwerp.
Syntaxis
Hindi-Urdu hebben in principe een Subject-Object-Verb volgorde (onderwerp-lijdend voorwerp-werkwoord), waar wij in het Nederlands “Ik pak een boek” zeggen, zou dit in Hindi-Urdu “ik boek pak” zijn. Deze volgorde hoeft echter niet strikt toegepast te worden, een woord waar men de nadruk op wil leggen kan op een andere plaats in de zin gezet worden (Hansen, 1980). Verder worden bijvoeglijk naamwoorden voor het zelfstandig naamwoord geplaatst en bijwoorden voor het werkwoord. Vraagzinnen worden op verschillende manieren gevormd. Bij gesloten vraagzinnen wordt het vraagwoord “kya” aan het begin van de zin geplaatst, waarbij de rest van de zin in de basisvolgorde staat. Bij een open vraag wordt het vraagwoord niet aan het begin van de zin geplaatst, maar voor het werkwoord in de zin (Shapiro, 1989).Eventuele problemen bij het leren van het Nederlands als tweede taal:
Ondanks dat Nederlands officieel een SOV volgorde heeft net als bij Hindi-Urdu, zijn veel zinnen in het Nederlands van het patroon SVO. Alleen wanneer er sprake is van inversie wordt er in het Nederlands gebruik gemaakt van de SOV volgorde, in de andere gevallen is SVO de enige optie. Dit zou dan ook lastig kunnen zijn voor kinderen met Hindi-Urdu als moedertaal, een SOV zinspatroon zou ook in het Nederlands toegepast kunnen worden in gevallen waar dit niet hoort.
Daarbij aansluitend zou het kunnen dat deze kinderen de vrije woordvolgorde van het Hindi -Urdu toepassen in het Nederlands. Waar in het Nederlands een afwijkend zinspatroon afgekeurd wordt, en daardoor eventueel gekoppeld aan een mogelijk taalprobleem, is dit in het Hindi-Urdu niet het geval. Bij een kind dat Hindi-Urdu als moedertaal heeft zou een variërende woordvolgorde een aspect van de meertaligheid kunnen zijn.
Pragmatiek
In het Hindi-Urdu kunnen er verschillende niveaus van beleefdheid worden uitgedrukt met het persoonlijk voornaamwoord. Er zijn drie varianten van het persoonlijk voornaamwoord (tweede persoon): āp, tum en tū. De vorm āp wordt gebruikt in formele situaties en om respect te tonen. Het wordt gebruikt om mensen aan te spreken die ouder zijn, meer gezag hebben of op gelijke voet staan (zoals collega’s). Het is vergelijkbaar met de Nederlandse vorm u. De vorm tum wordt gebruikt voor het aanspreken van familieleden, goede vrienden en personen met een lagere sociale status (zoals een bediende). De vorm tū wordt in twee zeer verschillende situaties gebruikt. Het kan gevoelens uitdrukken van grote vertrouwelijkheid of informaliteit, bijvoorbeeld wanneer er met kleine kinderen wordt gepraat. Het kan ook gevoelens uitdrukken van boosheid en afkeer. De vorm tū wordt met de enkelvoudige vorm van het werkwoord gebruikt en de vormen tum en āp met de meervoudsvorm van het werkwoord, onafhankelijk of er één of meerdere mensen worden aangesproken (Shapiro, 2003).Het grammaticaal partikel jī wordt gebruikt in combinatie met een eigennaam om respect aan te duiden. Het wordt tevens toegevoegd aan de woorden hām (ja) en nahīm (nee) in een context waarin āp wordt gebruikt (McGregor, 1977).
Eventuele problemen bij het leren van het Nederlands als tweede taal:
De beleefdheidsvorm in het Nederlands is minder uitgebreid dan in de moedertaal en zal daardoor waarschijnlijk geen problemen opleveren. De kans is wel aanwezig dat een kind bij gebruik van het persoonlijk voornaamwoord jij/u kiest voor de meervoudsvorm van het bijbehorende werkwoord, omdat dit bij twee van de drie vormen in Hindi-Urdu gebruikelijk is.
3. Verwervingsfases in bovenstaande domeinen in het Urdu
Er zijn onderzoeken gevonden naar de verwerving van Hindi-Urdu bij kinderen. Deze waren echter specifiek gericht op bepaalde morfologische verschijnselen in de taal en gaven helaas geen overzicht van de verwervingsvolgorde in het Hindi-Urdu. Een voorbeeld hiervan is het onderzoek van Budwig, Narasimhan en Srivastava (2006), dat in gaat op het gebruik van (in)transitionele werkwoorden bij kinderen tussen ongeveer drie en vier jaar. Hierin wordt geconcludeerd dat kinderen in deze leeftijdsfase gebruik maken van generalisaties en nog niet volledig op een volwassenen niveau van gebruik zitten. Helaas kan hier verder geen overzicht gegeven worden van de verdere verwervingsvolgorde of een vergelijking gemaakt worden met de verwervingsvolgorde in het Nederlands.
4. Onderzoek naar taalstoornissen in het Urdu
Helaas zijn er geen onderzoeken gevonden die ingaan op taalstoornissen in het Urdu.
5. Slotopmerkingen en literatuurverwijzingen
Van het Urdu is helaas weinig bekend op het gebied van taalstoornissen. Bij kinderen met Urdu als moedertaal en Nederlands als tweede taal zijn er echter wel problemen te voorspellen die veroorzaakt kunnen worden door deze tweetaligheid. Door deze kenmerken in gedachten te houden bij eventueel onderzoek bij deze kinderen, kan er een betere scheiding gemaakt worden tussen problemen veroorzaakt door meertaligheid en problemen die te wijten zijn aan een taalstoornis. Om een duidelijk beeld te schetsen worden hieronder nogmaals kort de grootste probleemgebieden van de meertaligheid genoemd. Verder zijn de gebruikte referenties van dit stuk gegeven, mocht u dieper in willen gaan op bepaalde taal-structuren of elementen die hierboven zijn genoemd dan kunt u deze artikelen of boeken raadplegen. Verder is er een overzicht gegeven van eventueel handige sites over het Urdu.
Overzicht van de belangrijkste probleemgebieden bij het leren van het Nederlands
- Het wel of niet gebruiken van het achtervoegsel -e bij bijvoeglijke naamwoorden, door het voor het Urdu onbekende bepaalde of onbepaalde karakter van het zelfstandig naamwoord in het Nederlands.- De onderscheiding van mannelijk of vrouwelijk bij persoonlijk voornaamwoorden, deze onderscheiding wordt niet gemaakt in Urdu.
- Lidwoorden, het Urdu kent geen lidwoorden waardoor het gebruik in het Nederlands lastig kan zijn.
- De vele onregelmatige werkwoorden in het Nederlands kunnen lastig zijn omdat deze weinig voorkomen in het Urdu.
- Het gebruik van enkel een stam bij werkwoorden, in Urdu worden er altijd suffixen toegevoegd aan de stam.
- Tijdsaanduiding in werkwoorden via suffixen, in Urdu gaat dit via een hulpwerkwoord.
- Transitieve werkwoorden vervoegen naar het onderwerp, in het Urdu gaat dit naar het lijdend voorwerp.
- De woordvolgorde in Urdu is vrijer dan in het Nederlands en de woordvolgorde is deels anders (SOV is niet in alle gevallen toegestaan in het Nederlands). Hierdoor kunnen woorden in een, voor het Nederlands, niet toegestane volgorde gezet worden.
Referenties
Handige sites over het Urdu
De Wikipedia-sites over het Urdu zijn, zeker in het Engels, een uitgebreide informatiebron. De links hiernaar zijn als volgt:
http://nl.wikipedia.org/wiki/Urdu
http://en.wikipedia.org/wiki/Hindi-Urdu_grammar
http://en.wikipedia.org/wiki/Hindi-Urdu_phonology
De BBC heeft een pagina over het Urdu, deze gaat vooral in op de geschiedenis en het Urdu van nu:
http://www.bbc.co.uk/voices/multilingual/urdu.shtml#A
Deze site geeft een overzicht van het schrift, heeft audiobestanden van het alfabet en spraak en heeft een lijst met links naar handige websites:
http://www.omniglot.com/writing/urdu.htm
Op de volgende site staan eenvoudige Urdu lessen en is een woordenboek Engels-Urdu beschikbaar:
http://www.urduword.com/